R. WAGNER – DAS RHEINGOLD (première München 1869)

Zondag 3 december 2017 – 15.00 uur

Deutsche Opera am Rhein – Duisburg (D)

 

 

 

DAS RHEINGOLD. Synopsis

De Ring des Nibelungen wordt door Wagner zelf genoemd: ‘Ein Bühnenfestspiel für drei Tagen und ein Vorabend’. Het libretto is gebaseerd op episoden uit de Noorse en Germaanse sagen. De Ring ontstond in de periode van 1848-1874. In deze Ring schetste Wagner zijn visie op politieke en maatschappelijke structuren. De regisseurs hebben daar in de loop van de tijd op zeer uiteenlopende manieren vorm aan gegeven. Vaak leidde dat tot heftige en emotioneel reacties. Das Rheingold bestaat uit vier taferelen.

 

 

Eerste tafereel (de bodem van de Rijn):

Op de bodem van de Rijn slaat Alberich de drie Rijndochters verlekkerd gade. Zodra zij de onooglijke Nibelung / dwerg hebben opgemerkt, lokken ze hem beurtelings naar zich toe om hem vervolgens smalend af te wijzen, waardoor hij zich steeds bozer en machtelozer voelt worden. Ineens breken zonnestralen door het water heen en zetten het Rijngoud in een verblindende gloed. Juichend verzamelen de nimfen zich om het goud, dat zij moeten bewaken. Wie deze schat weet te veroveren en er een ring uit smeedt, zal machtig worden. Maar… alleen wie de liefde afzweert, kan hierin slagen, en van de wellustige dwerg hebben ze dus niets te vrezen, denken ze. Alberich is echter zo getergd door zijn mislukte avances dat hij de liefdesvloek uitspreekt en er met de buit vandoor gaat. Tevergeefs zetten de verblufte Rijndochters de achtervolging in.

 

Tweede tafereel (verblijfplaats van de Goden):

Fricka (vrouw van Wotan en godin van de liefde) toont Wotan (de oppergod) de godenburcht die gebouwd is door de reuzen Fasolt en Fafner. De reuzen hebben de burcht gebouwd in ruil voor de godin Freia (godin van de liefde). Wotan weigert Freia uit te leveren. Loge, de god van het vuur, palmt de reuzen in met zijn mooie praatjes. Hij vertelt dat hij een Nibelung, Alberich, heeft gevonden die zijn goud belangrijker vindt dan de vrouwen. De reuzen raken geïnteresseerd en zijn bereid om Freia te ruilen voor het goud. De reuzen nemen Freia mee als onderpand. Fafner weet dat de goden hun eeuwige jeugd te danken hebben aan Freia’s gouden appels. Zonder haar zullen ze sterven. Samen met Loge gaat Wotan naar Nibelheim, de woonplaats van de Nibelungen om daar het Rijngoud in zijn bezit te krijgen.

 

Derde tafereel (Nibelheim, woonplaats van de Nibelungen):

In het onderaardse Nibelheim laat Alberich het Nibelungenvolk zwoegen om goud op te delven en om hieruit sieraden te smeden. Ook zijn broer Mime zucht onder dit juk. Alberich heeft hem zojuist een Tarnhelm laten vervaardigen, waarmee de drager zichzelf van gedaante kan doen veranderen. Mime’s plan deze helm zelf te gebruiken, is door Alberich verijdeld. Dit vertelt hij aan Loge en Wotan die zijn afgedaald naar Nibelheim. Alberich zelf treedt de beide indringers met argwaan tegemoet. Tot een demonstratie van de Tarnhelm laat hij zich echter gemakkelijk verleiden. Nadat hij eerst in een reusachtig monster is veranderd, tovert hij zichzelf om in een kleine pad. De list is geslaagd: de pad wordt gevangen en de Tarnhelm afgepakt, waarna Wotan en Loge de dwerg meevoeren naar de aarde.

 

Vierde tafereel:

Alberich is gevangen. Voor zijn vrijheid moet hij betalen met zijn schat die de Nibelungen hebben opgegraven. Als hij tenslotte ook de Ring heeft moeten afstaan, wordt de dwerg vrijgelaten. Voor hij wegkruipt, spreekt hij een vloek uit: zolang de Ring niet aan hem wordt teruggeven, zal deze de drager ervan enkel ellende en ook de dood bezorgen, terwijl ieder die hem niet heeft door afgunst zal worden verteerd.

De reuzen arriveren met Freia, de godin van de liefde, en eisen vervolgens het goud op. Fasolt ruilt Freia liever niet in voor het goud. De reuzen eisen dat het goud zo hoog wordt opgestapeld dat Freia uit het zicht verdwijnt. Fasolt kan door een kleine opening Freia nog zien en eist dat dat het gat gedicht wordt met de door Wotan verworven Ring. Aanvankelijk weigert Wotan. Dan verschijnt Erda, de oermoeder.

Zij waarschuwt Wotan voor het onheil dat hij over de goden afroept als hij de vervloekte Ring behoudt. Tot inkeer gebracht, werpt Wotan de Ring op de goudstapel en daarmee is Freia vrijgekocht. De reuzen krijgen ruzie. Fafner doodt Fasolt en gaat er met de Ring en de rest van de schat vandoor. De goden blijven ontsteld achter: de vloek is zijn werk begonnen. De goden Donner en Froh spannen een regenboog naar de godenburcht. Terwijl de goden via de regenboog de godenburcht betreden, klinkt uit de diepte het klaaglijk gezang van de Rijndochters op, die het verlies van hun goud bewenen.