RICHARD WAGNER – SIEGFRIED (première Bayreuth 1876)

Zondag 10 februari 2019 – 17.00 uur

Deutsche Oper am Rhein Duisburg

Synopsis

Sinds de vorige Ring-dag heeft Brünnhilde liggen slapen op de door vuur omsloten Walkürenrots. De door haar geredde Sieglinde heeft een kind gebaard, maar is toen zelf gestorven. Onwetend van zijn afkomst is haar zoon Siegfried opgegroeid bij de dwerg Mime. Deze wil de oersterke knaap gebruiken om de Nibelungenschat te bemachtigen waarover de draak Fafner in zijn rotshol waakt.

 

Eerste bedrijf:

In zijn als smidse ingerichte rotshol doet Mime tevergeefs pogingen een zwaard te smeden dat Siegfried niet onmiddellijk stuk slaat. Hij weet dat alleen Nothung hiervoor sterk genoeg is, maar hij slaagt er niet in de brokstukken opnieuw te smeden. Siegfried jaagt de door hem gehate Mime de stuipen op het lijf met een beer. Vervolgens monstert hij Mime’s laatste werkstuk dat hij meteen op het aambeeld kapotslaat. Mime heft een klaagzang aan: hij is vader en moeder voor Siegfried geweest en niets dan ondank is zijn loon. Maar de knaap heeft zijn eigen spiegelbeeld in het water gezien en zodoende weet hij nu dat de onooglijke dwerg niet zijn vader kan zijn. Nieuwsgierig naar zijn echte ouders dwingt hij Mime tenslotte de ware toedracht te vertellen. Om zijn relaas te staven, haalt de dwerg de brokstukken van Siegmunds zwaard Nothung tevoorschijn. Opgewonden eist Siegfried dat Mime het zwaard vandaag nog aaneensmeedt, want dan kan hij eindelijk de wereld in trekken.

Terwijl Mime wanhopig terneer zit, komt de Wanderer (Zwerver, alias Wotan) binnen. Mime wil dat de onbekende meteen weer vertrekt, maar de Wanderer neemt onverstoorbaar plaats bij het vuur en dwingt de dwerg tot een weddenschap: Mime mag hem drie vragen stellen als hij op één hiervan het antwoord schuldig blijft, behoort zijn hoofd Mime toe. De dwerg pijnigt zijn hersenen af, maar zijn vragen over de Nibelungen, over de reuzen en over de goden worden bevredigend beantwoord. Nu zal de Wanderer op zijn beurt drie vragen stellen. De eerste twee kan Mime moeiteloos beantwoorden, maar de derde – wie zal Nothung opnieuw aansmeden? – brengt Mime in paniek. Toch is dit nu juist de vraag die de dwerg zelf had moeten stellen, aldus de Wanderer, waarna hij het antwoord geeft: ‘Slechts wie het vrezen nimmer kende die smeedt Nothung opnieuw!’ Lachend vervolgt hij dat hij Mime’s hoofd niet zal opeisen: hij laat het toevallen aan deze onversaagde held.

Mime blijft radeloos achter: om zijn leven te redden moet hij Siegfried leren vrezen; als Siegfried leert vrezen, zal deze echter Nothung niet opnieuw kunnen smeden en dus ook de draak niet voor hem kunnen doden.

Als Siegfried terugkomt en ziet dat het zwaard nog niet gereed is, geeft Mime hem te verstaan dat hij pas de wereld in kan trekken als hij het vrezen heeft geleerd. Siegfried is reuze benieuwd naar dit voor hem onbekende gevoel en Mime’s plan om hiervoor de woeste draak Fafner te bezoeken, lokt hem zeer. Eerst moet hij dan wel over Nothung beschikken en getergd door Mime’s onvermogen gaat hij aan de slag om het zelf te smeden.

Mime brouwt ondertussen een slaapdrank: als Siegfried de draak heeft verslagen, zal de dwerg hem dit sap toedienen waarna hij de knaap met diens eigen wapen kan doden en Ring en schat kan bemachtigen. Als Siegfried Nothung inderdaad aaneen heeft gesmeed, neemt hij de proef op de som en slaat met één machtige klap het aambeeld doormidden.

 

 

Tweede bedrijf

 

De Nibelung Alberich houdt de wacht bij het drakenhol waar de Wanderer hem komt bezoeken. Hij waarschuwt Alberich dat zijn broer Mime in aantocht is, vergezeld van een jonge held die de draak zal doden. 

De Wanderer maakt Fafner wakker, en Alberich biedt het beest aan hem te verdedigen in ruil voor de Ring; de draak slaat dit voorstel af en de Wanderer gaat er lachend vandoor.

Terwijl Alberich zich verstopt, maken Mime en Siegfried hun opwachting. Mime’s vreeswekkende beschrijving van de draak boezemen Siegfried nog steeds geen enkele angst in en de dwerg trekt zich terug terwijl de jongen onder een lindeboom gaat liggen wachten op het monster. Geleidelijk aan wordt Siegfried zich bewust van alle bosgeluiden, in het bijzonder van het gezang van een vogel die in de linde zit en hem iets lijkt te willen zeggen. Snel snijdt hij een fluitje om met de vogel te praten, maar zijn gefluit lijkt nergens naar. Als hij in plaats daarvan op zijn eigen hoorn blaast, komt de slaperige draak naar buiten. Onbekommerd daagt Siegfried het beest uit en na een korte schermutseling weet hij Nothung in het hart van de draak te planten. Voordat Fafner sterft, waarschuwt hij zijn belager dat Mime het op zijn leven gemunt heeft. Terwijl Siegfried zijn zwaard terugtrekt, valt er een druppel drakenbloed op zijn vinger en onwillekeurig likt hij dit op. Plotseling kan hij de Woudvogel nu wél verstaan: deze vertelt hem dat hij het drakenhol in moet gaan en vooral moet zorgen dat hij de Tarnhelm en de Ring meeneemt. Terwijl Siegfried in het hol is, hebben Alberich en Mime een boze aanvaring over de verhoopte buit. Ze sluipen schielijk weg als Siegfried weer naar buiten komt. De Woudvogel vertelt hem dat hij dankzij het drakenbloed ook Mime’s gedachten kan lezen, zodat hij zich niet door zijn vleiende woorden zal laten misleiden.

En inderdaad: als Mime terugkomt, heeft hij zijn moorddadige bedoelingen al gauw aan Siegfried verraden. Deze steekt de huichelachtige dwerg dood en werpt het lijk in het rotshol waarvan hij de ingang verspert met het drakenlijk. Hij neemt alleen de Tarnhelm en de Ring mee zonder echter te weten waartoe deze dienen. Als hij weer onder de linde ligt, vertelt hij de Woudvogel over zijn eenzaamheid. Weet de vogel niet een metgezel voor hem? De Woudvogel antwoordt dat er inderdaad zo iemand is: Brünnhilde die omringd door een vuurgordijn op een bergtop ligt te slapen. Blij laat Siegfried zich door de vogel naar haar toe leiden.

 

Derde bedrijf:

De Wanderer roept Erda op om haar voor de laatste keer te raadplegen. Haar wijsheid is echter tanende en zij kan hem niet zeggen hoe de ondergang van de godenstam moet worden afgewend. De Wanderer vertelt haar dat hij zijn macht afstaat aan de alvrije held Siegfried: deze zal Brünnhilde wekken en dan zal zij de wereld verlossen.

Als Erda in de aarde is teruggezonken, ziet de Wanderer de jonge held al naderen. De Woudvogel is plotseling verdwenen en Siegfried hoopt dat de vreemdeling hem de weg kan wijzen naar de slapende vrouw, die zijn bruid zal worden.

Na een tijdje beginnen de vragen van die zonderlinge oude man hem echter te ergeren en onomwonden zegt hij hem ofwel de weg te wijzen, ofwel op te krassen. Verbolgen over deze respectloze houding verspert de Wanderer hem met zijn speer de weg – tevens een laatste beproeving om uit te vinden of Siegfried werkelijk een vrije held is. Als Siegfried hoort dat Nothung al eerder door dezelfde speer werd verbrijzeld, meent hij dat hij met zijn vaders moordenaar van doen heeft. Nu is hij helemaal niet meer te weerhouden en met één klap slaat hij de machtige speer doormidden.

De Wanderer verdwijnt en Siegfried begeeft zich in het kolkende vuur. Eenmaal op de bergtop ziet hij een schild waaronder een slapende gestalte blijkt schuil te gaan. Voorzichtig verwijdert hij helm en harnas en deinst – ten langen leste! – angstig terug als de schone slaper een vrouw blijkt te zijn. Uiteindelijk slaagt hij erin haar wakker te kussen en blij begroet Brünnhilde de zon. Stralend bezingt zij haar liefde voor Siegfried, die hij niet minder hartstochtelijk beantwoordt, ook al zijn haar woorden deels duister. Dan beseft zij dat ze nu geen Walküre meer is en even wordt ze overweldigd door intense treurnis, schaamte en angst. De puurheid van zijn liefde maakt echter dat zij zich verzoent met haar huidige lot en vol wilde vreugde geeft zij zich aan zijn omhelzing over. Lachend zegt zij de onderwereld vaarwel en wenst de stam der onsterfelijken de ondergang toe. Voor eeuwig zijn zij nu elkaars ‘één en al: lichtende liefde, lachende dood!’